Wij gebruiken functionele, analytische en marketingcookies om onze website te verbeteren en relevante content te tonen. Analytische en marketingcookies plaatsen wij alleen met jouw toestemming.
Lees onze Privacy Verklaring voor meer informatie.
Voor veel partijen in de vastgoedbranche is het onderwerp koudemiddelen nog relatief onbekend. Toch speelt er op de achtergrond een ingrijpende verandering die grote gevolgen heeft voor zowel nieuwbouw- als renovatieprojecten binnen de woningbouw en utiliteit. Wat lange tijd een technisch detail was voor installateurs, ontwikkelt zich steeds sneller tot een strategisch vraagstuk voor ontwikkelaars, woningcorporaties en gebouweigenaren. De keuze voor een bepaald koudemiddel kan namelijk bepalend zijn voor de toekomstbestendigheid, vergunningszekerheid en onderhouds- en investeringskosten van een project.
De vraag is daarom niet langer:
“Welk type en merk warmtepomp kiezen we?”
Maar steeds vaker:
“Hoe kunnen we voorkomen dat we in de toekomst geconfronteerd worden met hoge aanpassingskosten?”
In dit artikel nemen we je vanuit onze rol als duurzame installatieadviseur mee in:
De meeste warmtepompen op de markt werken momenteel met het koudemiddel R32. Naar schatting bevat ongeveer 90% van de warmtepompen dit koudemiddel.
Dat gaat veranderen.
Met de nieuwe Europese F-gassenverordening (EU 2024/573) wordt het gebruik van koudemiddelen met een hoge klimaatimpact sterk beperkt. Vanaf 1 januari 2027 mogen voor bepaalde installaties geen nieuwe systemen meer op de markt worden gebracht met een Global Warming Potential (GWP) van 150 of hoger.
Het GWP geeft aan hoeveel invloed een koudemiddel heeft op de opwarming van de aarde. Hoe lager dit getal, hoe klimaatvriendelijker het middel.
Dit betekent concreet dat de huidige standaardtechniek onder druk komt te staan.
De bekende splitwarmtepompen van 4, 6 en 8 kW met R32 (GWP 675) mogen vanaf 2027 niet meer nieuw op de markt worden gebracht. Ook bij vervanging van bestaande installaties ontstaan praktische uitdagingen:
Voor monoblock warmtepompen geldt dezelfde grens van 150 GWP. Daarmee verdwijnen ook hier R32 en R410A als optie voor nieuwe installaties.
Daarnaast wordt het totale Europese HFK-quotum, de hoeveelheid synthetische koudemiddelen die fabrikanten mogen produceren, in 2027 gehalveerd. Richting 2030 wordt dit quotum nog verder beperkt. De verwachting is dat dit zal leiden tot schaarste en stijgende prijzen voor synthetische koudemiddelen bij service en onderhoud.

De structurele route vooruit is de overstap naar natuurlijke koudemiddelen, met name propaan (R290). Dit koudemiddel heeft een GWP van slechts 3 en kent geen PFAS-problematiek. Daarmee geldt het momenteel als één van de meest toekomstbestendige opties. Veel fabrikanten, waaronder NIBE, Vaillant en Remeha, positioneren hun R290-warmtepompen inmiddels als nieuwe standaard, vooral voor monoblock-systemen zoals:
Tegelijkertijd vraagt het toepassen van R290 om nieuwe ontwerpkeuzes. Propaan is namelijk licht ontvlambaar (klasse A3) en stelt daardoor extra eisen aan de installatie en de opstelling van de warmtepomp. Ontwerpen zullen dus herzien moeten worden.
Niet alle marktpartijen maken dezelfde strategische keuze. Sommige fabrikanten introduceren warmtepompen met het koudemiddel R454C. Met een GWP van 146 blijft dit middel net onder de grens van 150 en lijkt het een veilige oplossing. Wij waarschuwen echter voor deze route. R454C is een mengsel dat voor een groot deel uit HFO’s (R1234yf) bestaat. Dit brengt twee grote strategische risico’s met zich mee:
Ons advies: kies waar mogelijk direct voor toekomstbestendige oplossingen.
De impact van deze regelgeving wordt vaak onderschat. Veel projecten die nu worden ontwikkeld, of zich in de VO-fase bevinden, lopen het risico dat het installatiesysteem bij start bouw al verouderd is.
Als een project pas wordt gebouwd in:
Dan kan het goed zijn dat de voorgeschreven warmtepomp niet meer leverbaar of toegestaan is. Dit vraagt om een integrale herziening van het ontwerp, want R290 (propaan) is brandbaar (klasse A3). Dit heeft mogelijk (grote) bouwkundige consequenties. Daarnaast is het als split-systeem niet toepasbaar en zullen binnen- en buitendelen via watervoerende leidingen met elkaar verbonden moeten worden.
Hier lijkt de overgang naar propaan relatief goed beheersbaar. De nieuwe standaard wordt waarschijnlijk:
Belangrijk aandachtspunt zijn de veiligheidsafstanden tot ramen, deuren, ventilatieopeningen en erfgrenzen, zoals vastgelegd in de bouw- en installatienormen.
Voor utiliteitsbouwprojecten is de urgentie iets minder direct, maar de tijd dringt wel. Vanaf:
mogen ook hier geen nieuwe installaties meer op de markt komen met een GWP boven de 150.
De belangrijkste vraag wordt hier toekomstbestendigheid: een installatie die vandaag voldoet, maar over tien jaar lastig te onderhouden is, vormt een financieel risico.
Bij appartementen verandert het speelveld aanzienlijk. De bekende oplossing met een buitenunit per woning wordt lastiger toepasbaar. In veel ontwerpen sturen wij daarom op:
Bij systemen met propaan (R290) – bijvoorbeeld ventilatie- of bodemwarmtepompen – moeten opstelruimten voldoen aan specifieke veiligheidseisen. Deze eisen vervallen vaak wanneer de hoeveelheid koudemiddel in het systeem beperkt blijft tot maximaal 150 gram. Inmiddels zijn er meerdere propaanwarmtepompen op de markt die binnen deze grens blijven en daardoor eenvoudiger toepasbaar zijn.
Wordt in een project toch nog gekozen voor R32-warmtepompen, denk dan alvast na over het vervangingsvraagstuk. Bij toekomstige vervanging mogen bestaande koudemiddelleidingen namelijk niet opnieuw worden gebruikt. Zorg daarom dat deze leidingen bereikbaar blijven, bijvoorbeeld via toegankelijke schachten.
De regelgeving bevat een beperkte veiligheidsuitzondering. Wanneer kan worden aangetoond dat een veilig alternatief (zoals R290) technisch niet mogelijk is op een specifieke projectlocatie, mogen tijdelijk nog systemen met een hoger GWP (tot 750, dus R32) worden toegepast.
Maar let op, hiervoor moet een technisch dossier worden opgesteld waarin wordt bewezen waarom een alternatief niet mogelijk is. Argumenten zoals kosten, esthetiek of praktische voorkeur zijn hierbij geen geldige reden. De bewijslast ligt bij de ontwikkelaar/gebouweigenaar. Wij adviseren om deze uitzondering alleen als allerlaatste redmiddel in renovatieprojecten te gebruiken, niet als basis voor nieuwbouw.
Hoewel steeds meer fabrikanten propaanwarmtepompen introduceren, zijn voor sommige projecten nog niet alle oplossingen beschikbaar. Met name bij hoogbouw of complexe woningbouwconcepten kan het nodig zijn om het energieconcept opnieuw te bekijken. Ons advies:
Anticipeer nu
Wacht niet tot de aannemer in 2027 meldt dat een installatie niet meer leverbaar is. Neem de koudemiddeltransitie nu al mee in het ontwerp.
Eis natuurlijke koudemiddelen
Leg in het Programma van Eisen (PvE) vast dat installaties PFAS-vrij zijn en een GWP < 5 hebben.
Ontwerp integraal
Houd in het ontwerp rekening met de veiligheidszones voor R290 en de consequenties voor technische ruimten en dakopstellingen.
De koudemiddeltransitie laat zien hoe snel technische ontwikkelingen en regelgeving elkaar opvolgen. Voor vastgoedprojecten betekent dit dat installatiekeuzes steeds vaker strategische keuzes zijn. Door hier in een vroeg stadium rekening mee te houden, kunnen kostbare herontwerpen, vertragingen en toekomstige onderhoudsproblemen worden voorkomen.
Onze adviseurs denken graag mee over toekomstbestendige installatiestrategieën voor woningbouw en utiliteitsprojecten. DVI voert voor diverse opdrachtgevers impactanalyses uit op lopende ontwerpen. Wij toetsen uw project op 2027-compliance. Zodat u bouwt voor de toekomst, niet voor het verleden. Neem contact met ons op!
Onze experts denken graag met je mee over jouw vraagstuk.
Plan een gesprekVond je dit artikel waardevol? Deel het met je netwerk.