Terug naar Kennis
Nieuws

Natuurlijke koudemiddelen toepassen? Dit moet je weten!

28 mei 20268 min

De komende jaren worden F-gassen (synthetische koudemiddelen) steeds verder uitgefaseerd. Om hierop vooruit te lopen, worden momenteel volop warmtepompen en koelmachines ontwikkeld op basis van natuurlijke koudemiddelen. Deze natuurlijke koudemiddelen hebben een zeer lage Global Warming Potential (GWP) en zijn daardoor aanzienlijk minder belastend voor het klimaat. Enkele voorbeelden hiervan zijn propaan (R290), ammoniak (R717), R1234ze of CO2 (R744). De overstap van synthetische naar natuurlijke koudemiddelen brengt echter ook nieuwe randvoorwaarden met zich mee. In dit artikel bespreken we daarom drie belangrijke gevolgen van de overstap naar natuurlijke koudemiddelen: strengere certificeringseisen, nieuwe veiligheidsverplichtingen en uitvoering van risicobeheersing.

Veiligheidsklassen van koudemiddelen

Laten we beginnen bij de veiligheid. Om op een veilige manier met natuurlijke koudemiddelen te werken, is het belangrijk om de veiligheidsklassen goed te begrijpen. Niet ieder koudemiddel brengt dezelfde risico’s met zich mee. Sommige middelen zijn brandbaar, andere giftig, en sommige combineren beide eigenschappen.

De classificatie van een koudemiddel bepaalt in welke situaties en onder welke voorwaarden een middel veilig toegepast kan worden. De classificatie gebeurt volgens de ASHRAE Standard 34 en bestaat uit een letter en een cijfer. De letter staat voor de giftigheid van de stof en het cijfer geeft de brandbaarheid aan. De letter ‘A’ betekent dat de stof een lage giftigheid heeft en de letter ‘B’ voor een hoge giftigheid. De cijfers 1 tot en met 3 geven de mate van ontvlambaarheid aan, waarbij koudemiddelen met cijfer 1 geen vlam verspreiden. Aanvullend hierop kan de letter ‘L’ toegevoegd worden wanneer het koudemiddel wel ontvlambaar is, maar met een lage ontbrandingssnelheid.  In onderstaande figuur worden verschillende koudemiddelen weergegeven met de bijbehorende veiligheidsklasse.

image.png

Strengere certificeringseisen voor koudemiddelen

Het gebruik van natuurlijke koudemiddelen heeft vooral gevolgen voor de veiligheid van installaties. Veel natuurlijke koudemiddelen zijn namelijk brandbaarder en/of giftiger dan synthetische koudemiddelen. Daarom zijn de certificeringseisen voor installateurs aangepast.

Om met koudemiddelen te mogen werken, moeten monteurs beschikken over een geldig certificaat. Voor bestaande F-gassencertificaten geldt dat deze niet langer onbeperkt geldig zijn. Voor reeds gecertificeerde monteurs betekent dit:

  • bestaande certificaten blijven geldig tot maart 2029 
  • daarna moet een aanvullende module voor koolwaterstoffen worden behaald 
  • dit nieuwe certificaat is vervolgens zeven jaar geldig 

Voor F-gassencertificaten die vanaf september 2025 worden uitgegeven, geldt dat de aanvullende module direct onderdeel is van het certificaat. Ook deze certificaten hebben een geldigheidsduur van zeven jaar.

Veiligheidsverplichtingen bij natuurlijke koudemiddelen

De toepassing van natuurlijke koudemiddelen brengt aanvullende veiligheidsverplichtingen met zich mee. Door de hogere mate van brandbaarheid en giftigheid gelden strengere veiligheidsvoorschriften en aanvullende regelgeving. Bij het ontwerpen en installeren van installaties met natuurlijke koudemiddelen staat de veiligheid van personen en de omgeving centraal. Belangrijke richtlijnen en documenten hierbij zijn:

  • PGS 13: richtlijn voor de veilige toepassing van ammoniak als koudemiddel 
  • NPR 7600: praktijkrichtlijn voor brandbare koudemiddelen 
  • NPR 7601: praktijkrichtlijn voor installaties met CO₂ als koudemiddel 

Veiligheidsverplichtingen voor propaan (R290)

Voor propaan (R290) gelden aanvullende veiligheidsmaatregelen. Propaan wordt veel toegepast in warmtepompen voor woningbouw, maar is brandbaar en zwaarder dan lucht. Hierdoor zijn extra veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Volgens de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1 moeten installaties met propaan voldoen aan specifieke veiligheidszones. Deze zones zijn afhankelijk van de locatie van de warmtepomp.

Bij een monoblock-warmtepomp met propaan beperkt het risico zich meestal tot het buitendeel. Afhankelijk van de montagepositie — tegen een gevel, vrij opgesteld of in een hoekopstelling — mogen binnen de veiligheidszone geen ontstekingsbronnen aanwezig zijn. Dit betekent dat vonkvormende apparatuur zoals schakelaars, lampen en wandcontactdozen in de directe omgeving van de installatie niet mogen voorkomen.

Risicobeheersing bij natuurlijke koudemiddelen

Om de risico’s van natuurlijke koudemiddelen te beheersen, moeten er verschillende veiligheidsmaatregelen worden toegepast in de ruimte waar de installatie met het koudemiddel staat opgesteld. Een voorbeeld van te nemen maatregelen zijn het toepassen van ventilatie (natuurlijk of mechanisch), het plaatsen van afsluitkleppen met aansturing via een koudemiddeldetector of alarmeringssystemen.

Afhankelijk van de locatie van de installatie worden verschillende typen risicobeheersing toegepast. Deze worden onderverdeeld in zones:

  • Geen risicobeheersing
    Geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. 
  • Zone 1
    Minimaal één veiligheidsmaatregel vereist bij een montagehoogte lager dan 1,8 meter. 
  • Zone 2
    Eén veiligheidsmaatregel vereist bij een hoogte boven 1,8 meter óf een combinatie van twee maatregelen. 
  • Zone 3
    Minimaal twee veiligheidsmaatregelen verplicht. 

De keuze voor de juiste risicobeheersing moet altijd gebaseerd zijn op de geldende normen en richtlijnen. Zo schrijven de IEC 60335-2-40 en NEN-EN 378 specifieke maatregelen voor om de veiligheid van personen binnen gebouwen te waarborgen. Het is daarom belangrijk dat adviseurs en installateurs deze richtlijnen correct toepassen.

Voorbeeldsituatie 1

Een warmtepompinstallatie wordt geplaatst in de berging van een woning. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • oppervlakte berging: 5 m² 
  • montagehoogte warmtepomp: 1,5 meter 
  • koudemiddel: R32 (difluormethaan) 
  • koudemiddelinhoud: circa 1 kilogram 

Op basis van de geldende regelgeving zijn in deze situatie geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk.

Voorbeeldsituatie 2

Een collectieve warmtepompinstallatie wordt geplaatst in de technische ruimte van een kantoor- of appartementengebouw. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • oppervlakte technische ruimte: 200 m² 
  • montagehoogte warmtepomp: 0,5 meter 
  • koudemiddel: R454B 
  • koudemiddelinhoud: 24 kilogram 

Op basis van de geldende regelgeving wordt deze situatie geclassificeerd als Zone 1. Dat betekent dat aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, zoals extra luchtcirculatie in de ruimte.

De toekomst van natuurlijke koudemiddelen

Gezien de aangescherpte regelgeving en de duurzaamheidsdoelstellingen is het niet langer de vraag óf de sector overstapt op natuurlijke koudemiddelen, maar vooral hoe dit veilig en efficiënt gebeurt.

Dat vraagt om een proactieve houding van alle betrokken partijen:

  • installateurs 
  • adviseurs 
  • fabrikanten 
  • beleidsmakers 

Bij DVI geloven we dat deze transitie juist kansen biedt. Installateurs en opdrachtgevers die zich nu specialiseren in natuurlijke koudemiddelen positioneren zich als voorlopers binnen de markt. Door samen te werken en kennis te delen over de juiste toepassingen en veiligheidsmaatregelen, kunnen we installaties veilig, efficiënt én toekomstbestendig maken. 

Meer weten over de impact van koudemiddelen op uw installaties? Neem gerust contact met ons op voor een maatwerkadvies.

Heeft dit je aan het denken gezet?

Onze experts denken graag met je mee over jouw vraagstuk.

Plan een gesprek
Deel dit artikel

Vond je dit artikel waardevol? Deel het met je netwerk.

Meer artikelen ontdekken?

Bekijk alle kennis